Terug naar overzicht

Column Joks Janssen: De (her)ontdekking van het stedenbouwkundige midden

19 april 2021
Column Joks Janssen: De (her)ontdekking van het stedenbouwkundige midden

Met de woningbouwopgave staat de verstedelijkingsdiscussie in Nederland op scherp. Want waar moeten deze woningen gebouwd worden? Moeten we de woningnood te lijf gaan met verdichting of uitbreiding? Wat voor soort stedelijkheid streven we eigenlijk na? En hoe draagt de woningbouw bij aan klimaatdoelen en leefbaarheid? Het publieke debat over deze vragen laveert op dit moment tussen twee uitersten. 

Enerzijds zijn er de hoogbouwapologeten, die aangeven dat woningen stapelen in een overvol land de meest verstandige optie is. Het liefst tot duizelingwekkende hoogte. Verdichting zorgt voor het benodigde draagvlak voor stedelijke voorzieningen zoals openbaar vervoer, is inherent duurzaam vanwege het beperkte ruimtebeslag, en draagt via een imposante skyline bij aan een broodnodig beeld van stoere stedelijkheid. Bijkomend voordeel van ruimtelijke concentratie door hoogbouw is dat we ook nog wat groene ruimte overhouden. 

Voor de projectontwikkelaars en planologen van de polder, is diezelfde groene ruimte nu juist het perfecte terrein voor hun droom van het rijtjeshuis. Laagbouw is veel efficiënter betogen zij. Er kan door middel van fabrieksmatige productie in hoog tempo in de woningvraag worden voorzien. Daarnaast sluit laagbouw in een dorpse of suburbane setting ook beter aan op de (vermeende) behoefte van de meeste Nederlanders. Dat daarvoor boerenland moet worden opgeofferd, is niet zo erg. Sterker nog, de uitkoop van boeren draagt bij aan de oplossing van het al lang slepende stikstofprobleem. 

Beide kampen kennen hun stokpaardjes en bezingen met enthousiasme de planologische lof van de grondgebonden woning tegenover die van de woontoren, en vice versa. Waar de een enthousiast raakt van het Vijfde dorp in de laaggelegen Zuidplaspolder, zweert de ander bij de hoogbouwhectiek in Den Haag, Rotterdam en Eindhoven. In hun meest extreme vorm krijgt de retoriek voor ofwel laagbouw ofwel hoogbouw planologisch-populistische trekken. De politieke tegenstelling tussen volk en elite vertaalt zich naar een ruimtelijke oppositie tussen laagbouw en hoogbouw. Deze (schijn)tegenstelling wordt vervolgens verabsoluteerd.

Het is dit dualistische denken (en doen) dat ons het zicht ontneemt op het kansrijke, stedenbouwkundige midden dat zich bevindt tussen de woontorens enerzijds en de woningen in het weiland anderzijds. Wie dit midden (her)ontdekt, ziet een bijzondere stedenbouwkundige wereld opdoemen van middelhoge dichtheid, karakteristieke woonblokken, gemeenschappelijke (binnen)hoven en parkstructuren. Dat is het geheim van de klassieke Europese binnensteden. Voorbij het Hollandse rijtjeshuis en de Anglo-Amerikaanse (en Aziatische!) hoogbouwtraditie, ontvouwt zich een continentale vorm van stedenbouw en stadsontwerp, met een scherp oog voor de menselijke maat, voor stedelijke kwaliteit, dichtheid en duurzaamheid. 

De morfologie van de Europese stad biedt een rijk palet aan stedelijke vormen die op geraffineerde wijze (middel)hoge dichtheid, sociale inclusie, groen ingebedde woonkwaliteit en een ‘getemperde’ stedelijkheid combineert. Wie die vormen bestudeert, van de Berlijnse mietskasernen tot de Weense woonhoven en het grid van Cerdà, beseft zich al snel dat we niet laag of hoog, maar middelhoog moeten bouwen. Verschillende studies - van ‘Steden vol ruimte’ (Rudy Uytenhaak) tot ‘Neighbourhoods for the future’ (Maarten Hajer cum suis) - tonen aan dat de woningbouwopgave met middelhoge dichtheid niet alleen heel efficiënt binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd kan worden, maar ook dat zo duurzame en hoog gewaardeerde buurten en wijken kunnen worden gerealiseerd. 

Dat het niet enkel om theoretische excercities gaat, laat de gebouwde realiteit van Kalkbreite in Zurich, Hafencity in Hamburg en, dichter bij huis, het GWL-terrein en Strijp-S zien. Voorbij de obsessie met grondgebonden woningen en hoge woontorens bevindt zich een rijke, en nog altijd vitale Europese traditie van middelhoogbouw. Het is deze traditie die we moeten koesteren, cultiveren en op eigentijdse wijze herinterpreteren. Ze kan een meer duurzaam en sociaal fundament onder de huidige verstedelijkingsopgave leggen.